en un momento dado

 

Zojuist lees ik dat vandaag Johan Cruijff op 68-jarige leeftijd overleden is, de beste voetballer van de wereld in Nederlandse ogen. Toevallig (ik geloof er in) had ik net onderstaande blog geschreven, met een beroemde uitspraak van hem als titel. Cruijff was natuurlijk niet alleen beroemd door zijn voetbalkwaliteiten, maar ook door de eigen taal die hij heeft ontwikkeld, het Cruijffiaans. De Nederlandse uitdrukking ‘Op een gegeven moment’ heeft hij letterlijk in het Spaans vertaald en het schijnt dat het gezegde inmiddels op de Nederlandse manier in Spanje gebruikt wordt. ‘Op een gegeven moment’ moet iedereen er natuurlijk een punt achter zetten, maar ik ben wel geschokt, dat dat moment voor Johan Cruijff vandaag is aangebroken. Voor hem was ‘un momento dado’ dat zijn sterven aankondigde, waarschijnlijk al een tijdje terug. Voor zijn naasten is het nu ook nog enorm verdrietig. Sterkte aan hen.

Bij de schok van ‘un momento dado’ dacht ik zelf aan het moment waarop je te horen krijgt dat je een psychiatrische aandoening hebt. Sorry voor het vreemde bruggetje naar het onderwerp van mijn blog, maar wie weet dat nog, ‘en un momento dado’ op zijn Cruyffiaans, het moment waarop je je stempel opgeplakt kreeg? O nee, ik bedoel natuurlijk je diagnose. Of hoe je het maar wilt noemen, dan. Ik weet dat moment nog goed, het valt voor mij te karakteriseren als een ‘life-event’.

Het gebeurde nogal plotsklaps. Ik kon amper bijkomen van die eerste diagnose (depressie), want een week erna werd ik gedwongen opgenomen, in psychotische toestand ten gevolge van een manie. De gebeurtenissen die daarop volgden (opname, separatie) waren voor mij heftig, maar dat gold ook voor de uiteindelijke diagnose een week later: bipolaire stoornis, een EPA (ernstige psychiatrische aandoening). Je schrikt je lam. De psychiater liet me het beslismodel zien, een paar simpele kaders, lijntjes en woorden, waarmee die verschrikkelijke term EPA ineens over mij ging.

De schok van zo’n psychiatrisch stempel had voor mij ook te maken heeft met de (soms onbewuste) gedachte: “nou ben ik er nog erger aan toe dan ik dacht” of nog erger: “Ik ben echt minder waard als persoon, dan mijn naasten. Kijk maar naar dat stempel wat ik gekregen heb.”

Alle jaren daarvoor, ben je in deze maatschappij toch groot geworden met het idee dat met name vreemde, enge, vooral te mijden, mensen in de psychiatrie terecht komen. Oke, een depressie, dat kan de beste gebeuren, maar opname in een psychiatrisch ziekenhuis… In mijn ogen was dat voorbehouden aan een andere bevolkingsgroep, op zijn zachtst gezegd. Om dan een EPA in de schoenen geschoven te krijgen, was op zijn minst een …. Identiteitscrisis! Ik ben toch niet gek?

Natuurlijk was en ben ik niet gek. Die identiteitscrisis was nogal door vooroordelen ingegeven, want:

  • Waarom zou het krijgen van een stempel iets aan je karakter veranderen? Je wordt er niet minder lief, minder slim, minder aardig, minder geliefd (en als dat wel zo is, kan dat ook aan je omgeving liggen), minder mooi, minder betrouwbaar of minder empathisch van, dan je was voor het krijgen van het stempel.
  • Zelfs als de beschrijving in de DSM je vertelt dat je een aantal akelige eigenschappen bezit, zegt dat weinig over je zelf (dit besef ik nu, nu ik bijvoorbeeld een aantal zeer verschillende, maar heel sympathieke, ‘borderliners’ ken en ook een aantal bipolaire mensen die totaal niet op mij lijken)
  • Denken dat het stempel iets onaardigs zegt over “jouw eigen ikje”, doet je zelfbeeld geen goed en brengt je juist niet dichter bij jezelf (wat waarschijnlijk wel nodig is, gezien je psychische toestand)

De DSM-diagnose kan misschien iets zeggen over mijn klachten en over het verloop daarvan (ook niet altijd), maar ik leer er mezelf als persoon geen sikkepit beter mee kennen. De neiging bestaat om die kort-door-de-bocht-conclusie te trekken. Voor je het weet probeer je je hele hebben, houwen en handelen op te hangen aan je diagnose. Maar die diagnose is in eerste instantie vooral voor de psychiater, om te weten hoe die  je behandeling moet declareren bij de zorgverzekeraar. Snel daarna zal ook je arts je als persoon moeten leren kennen, en niet als patiënt-met-een-stempel, voor een succesvolle behandeling. En een belangrijk onderdeel van ‘succesvol’ is daarbij dat je je eigen ikje weer terug weet te vinden, wat soms nog moeilijker is dan de klachten aanpakken die je hebt volgens de DSM.

Ps: voor mijn lotgenoten: ik zie jullie en mezelf nu niet meer als een ‘andere bevolkingsgroep’. We hebben hoogstens wat andere ervaringen dan de rest van de wereld. De streep tussen ‘psychiatrisch’ en ‘normaal’ is uiteindelijk een artefact, een waan. We kunnen er over heen stappen (beide kanten op) en dat geldt voor iedereen.

 

Advertenties

Een vernieuwde introductie

Ik dacht eerst ik ga de introductie veranderen. Niet alleen ben ik twee jaar ouder dan toen ik begon met deze blog, ik ben ook twee jaar verder en tot mijn geluk kan ik zeggen: twee jaar verder in mijn herstel. Ik vind het toch wel leuk om te laten staan hoe ik er twee jaar geleden tegenaan keek. Hieronder dus een iets verder gevorderd verhaal en in de introductie zal ik mijn leeftijd aanpassen en mijn echte naam gaan gebruiken, Miranda. Tijd voor openheid, toch?

Dit is het verhaal van hoe ik ziek werd en hoe ik herstelde. Hoe mijn leven gelukkig weer (veel) belangrijker werd dan mijn ziekte.

jouw_herstel_proces

De diagnose ‘bipolair I’ kreeg ik 16 jaar geleden. Destijds was ik bezig met mijn promotie in de natuurkunde. Mijn contract liep ten einde, maar mijn proefschrift was nog lang niet klaar. Ik wilde ermee stoppen, maar dacht dat ik niets anders kon. Een doodlopend pad in mijn hoofd. Mijn concentratie was verdwenen, evenals mijn energie. De dokter verklaarde me overspannen. ‘Overspannen’ werd een paar maanden later bij een vervangend huisarts ‘depressief’. Van die diagnose schrok ik zo, dat ik mezelf gedurende een aantal nachten uit de depressie probeerde te ‘denken’. Dit lukte wonderwel (dat is cynisch bedoeld), want die slapeloze nachten leidden binnen een week tot een psychose.

Ik werd gedwongen opgenomen met een IBS (in bewaring stelling, een handtekening van de burgermeester). In de inrichting moest ik al snel in de separeercel. Zo ben je nog een getalenteerde jonge wetenschapper, zo zit je opgesloten in een kamertje van 3 bij 4, met je eigen angsten en voortrazende gedachtenstroom. Over die psychose en het verblijf in de separeer heb ik een aantal blogs geschreven (gesepareerd, psychose, opname, de-mini-psychose-quiz).

De opname duurde vijf maanden en ik wisselde van depressief naar manisch en weer terug naar depressief. Ik werd ingesteld op het medicijn lithium en daarmee bleef ik lange tijd stabiel. In tegenstelling tot veel van mijn lotgenoten, kreeg ik de kans om in mijn ‘oude’ leven terug te keren: Vriend, familie, vrienden en werkgever, vrijwel niemand liet me alleen. Dit was een wrange tegenstelling tot veel van mijn medepatienten, die in de kliniek vrijwel nooit bezoek kregen. In de eerste jaren na de opname vond ik daarom dat ik maar geluk had gehad bij een ongeluk, ik als ‘psychiatrisch patiënt’ en dan toch zoveel steun. Dat was een redelijk realistische blik, maar tamelijk onaardig richting mijzelf. Ik had namelijk niet iets heel ergs gedaan, ook niet tijdens mijn psychose (al was mijn omgeving natuurlijk wel erg geschrokken van de verandering in mijn persoon). Dat waar ik last van had, wordt ook wel zelfstigma genoemd, en dat versterkte, ondanks de therapie, het negatieve zelfbeeld wat er voorheen ook wel was.Hoewel ik van alles bereikt had, bleef ik in mijn eigen ogen immers de psychiatrisch patiënt’.

Ondanks dat, en met een psychiater en SPV-ster die geloofden in mijn kunnen, lukte het me om vier jaar na de opname alsnog mijn promotie af te ronden, een waar hoogtepunt (hoe-heeft-ze-dat-gedaan-dan?). In de vier jaren erna trouwde ik met mijn (nog steeds dezelfde) vriend, we kochten een huis en kregen twee mooie dochters. Ook ging ik eindelijk werk doen “waar-mijn-hart-wel-lag” en werd projectleider in de publieke gezondheidszorg. Het leek een lang-en-gelukkig-einde. Helaas stak de bipolaire stoornis wel weer eens per jaar zijn kop op. Wel kon ik steeds beter de episodes “voorzien” en indien toch nog nodig: er zonder al te veel kleerscheuren ‘doorheen komen’. Ik hoefde gelukkig niet te stoppen met werken.

Met een man, twee dochters, een baan en een huis, en min of meer stabiel, had ik niets meer te klagen zou je zeggen. Toch was ik nog steeds vaak somber, onzeker, piekerend en twijfelachtig, eigenlijk los van allerhande symptomen die bij de aandoening zouden moeten horen. Waar ik (inmiddels met een overschot aan psychiatrisch gedachtegoed, ben ik bang) een dysthyme stoornis vermoedde, zei mijn psychiater: “Nee hoor, dat zijn gewoon levensvragen waar ieder mens mee worstelt”.  Grrr, ook dat nog… Levensvragen… Hoe moest ik die nou oplossen? In feite was ik teveel op de almacht van de psychiatrie gaan vertrouwen, en daarmee veel te weinig op mijn eigen gevoel…

Zo begon geleidelijk mijn tweede zoektocht. Een zoektocht naar mijn eigen levenskracht. Gezien alles wat ik al voor elkaar gekregen, moest daar toch best veel van zijn, ergens, maar ik leek het niet in te kunnen zetten voor mijn eigen geluk. Dat besef kreeg ik steeds meer, waar ik eerst gedacht had dat ik te zwak was daarvoor. Gevolg van een maatschappelijke waan.

Herstellen doe je zelf, zeggen ze. Je hebt je eigen regie hard nodig en ik ben blij dat ik die toch terug heb weten te pakken. Herstellen is  niet alleen een ‘maatschappelijk’ proces, het (opnieuw) invullen van rollen, maar ook een heel persoonlijk proces. Wat verdacht veel overeenkomsten heeft met persoonlijke groei, trouwens. Ik heb in dat persoonlijke herstelproces veel gehad aan de cursus Werken met Eigen Ervaring, die ik gedaan heb bij ENIK recovery college. Terwijl je naar je eigen toekomst kijkt (wat zijn je wensen, hoe ga je daaraan werken?) moet je soms teruggrijpen naar je verleden: Wat is er met je gebeurd? Wat is je verhaal? In het contact met lotgenoten, die aan een half woord genoeg hebben en tegelijkertijd, veel meer dan anderen, woorden aan jouw ervaring kunnen geven, start de verwerking daarvan en kan je zelfvertrouwen weer groeien.

Als je een diagnose krijgt, leer je meteen dat je moet gaan accepteren dat je deze aandoening werkelijk hebt. Dat je medicatie moet nemen en je leven moet aanpassen. Dat je misschien wel een beperking moet accepteren. Op zich is dat goed advies. Ik ben blij dat ik m’n episodes ‘snap’. Naar aanleiding van mijn verhaal denk ik dat ik toch kan zeggen: Ga alsjeblieft niet te ver met dat accepteren…vooral niet meteen. Minder kan altijd. Je bent nog steeds meer mens dan diagnose, en je hebt meer gezonde onderdelen dan zieke. En zelfs als je veel te veel ziekte hebt, heb je nog een leven. Al heb je maar een strohalmpje, pak ‘m toch maar. Groei is echt mogelijk.

Veel profijt van mijn blog en reageer als je zin hebt, dat zou ik leuk vinden.