Hoe open wil je zijn?

Moet je er wel of niet open over zijn als je een psychiatrische aandoening hebt? Wil je het tegen je familie,  vrienden, collega’s of buren kunnen vertellen? Schrijf je je opname-periode op je CV? Hoe ver wil je gaan in die openheid en wil je überhaupt die kant op gaan? Ik denk dat dat heel persoonlijke vragen zijn, waar iedereen zijn of haar eigen antwoord op moet vinden. Hier is mijn bijdrage.

Toen ik net de diagnose had, vertelde ik tegen jan en alleman wat me was overkomen. Ik hoefde me toch zeker nergens voor te schamen? En je moet je trauma ook een beetje kwijt, nietwaar? Uitgebreid kreeg iedereen te horen wat ik had meegemaakt in de opname. Met een beetje geluk wisten ze na een half uurtje ook dat ik enige tijd in de separeercel had doorgebracht, wat ik voor gekke dingen gedaan had voorafgaand aan mijn opname, toppunt van persoonlijke ontboezemingen, welke waansystemen ik gebouwd had tijdens mijn psychose. In die tijd werkte ik midden tussen de wetenschappers en ik heb eigenlijk nooit gemerkt dat ze mijn verhalen vervelend vonden, of angstaanjagend, of verschrikkelijk treurig. Wetenschappers zijn nieuwsgierige mensen en volgens mij heb ik ze in eerste instantie vooral vermaakt. Ik hoop het tenminste. Het kan natuurlijk ook dat ze te verschrikt of beleefd waren om weg te lopen uit het gesprek…

Inmiddels ben ik naar een ander werkveld verhuisd, nl. de zorg. Mensen in de zorg lijken meer empathisch. Het effect van bovenstaand verhaal is in ieder geval angstige blikken, en bezorgde collega’s. Dit staat overigens los van hoe monter ik er op dat moment bij sta en hoe vrolijk en afstandelijk ik het weet te vertellen. Bovendien is het verhaal door de jaren heen een stuk beknopter en milder geworden. Voor mijn collega’s blijft het toch een reden tot schrikken. Best logisch, misschien.

Er zijn een paar mogelijke gevolgen van het vertellen van HET VERHAAL:

  1. Het blijft bij de verschrikte en bezorgde reactie. Na een “meisje toch…”  of “Jeetje, sterkte ermee…” trekt men zich terug en wordt er nooit meer over gepraat. Over tot de orde van de dag.
  2. Het verhaal wordt herkend. Een vriendin, een zwager of een zus heeft dit ook. Dit komt vrij vaak voor. Over het algemeen zijn de bekenden in kwestie er slechter aan toe (geweest) dan ik. Ze zijn bijvoorbeeld jarenlang opgenomen geweest, of hebben nooit meer gewerkt sinds hun diagnose. Eén keer heb ik gehoord dat iemand’s oma er op prettige wijze 86 mee geworden was. Dat is toch fijn om te horen.
  3. Er zijn enkele mensen die naderhand nog af en toe een geïnteresseerde vraag stellen. Ik beschouw ze als pareltjes.  Onder mijn vriendinnen heb ik gelukkig een paar pareltjes. Ik wil ook zo’n pareltje zijn voor anderen.

Een nieuwe groep mensen aan wie ik het al dan niet vertel zijn mensen uit de buurt. Sinds mijn kinderen op school zitten, leer ik er daar steeds meer van kennen. Ik ben graag transparant, wil graag dat mensen mij beter kennen en ik wil graag mijn verhaal kwijt, dus als ik mensen een beetje vertrouw, vertel ik het. Dat is soms eng. De reacties zijn vergelijkbaar met hierboven. Soms verandert ook de relatie, al dan niet tijdelijk: Dan gaan we van gezellig babbelen terug naar alleen “hoi”-zeggen. Daar kan ik mee leven, al word ik er wel even verdrietig van. De positieve kant is, dat ik mede door deze openheid op het moment een paar buurvrouwen heb, waar ik mijn ei bij kwijt kan. Een heel ei, niet het halve ei.

Mijn persoonlijke conclusie: openheid is soms doodeng, afwijzing en stigma liggen op de loer. Toch is het mij meegevallen en heeft mijn openheid ervoor gezorgd dat ik me met sommige mensen juist meer verbonden voel. Wat betreft die ziekte op je CV zetten of in je sollicitatiegesprek noemen… dat gaat me weer net te ver, behalve als je als ervaringsdeskundige aan de slag wilt. Maar als je hier heel andere ervaringen mee hebt, hoor ik het graag!

Advertenties