Over mijn ouders en mijn opvoeding

Nature and nurture

De bipolaire stoornis wordt veroorzaakt door ‘nature’ en ‘nurture’, zo wordt gezegd. Natuur en/of omgeving. Dat zijn twee simpele woorden en eigenlijk zou ik daar genoegen mee moeten nemen, maar dat kan ik niet. Zijn het de genen of is het de opvoeding, je ervaringen, andere omgevingsfactoren? Het behoort tot mijn favoriete hobbies om na te gaan WAT bij mij die verrekte bipolaire stoornis veroorzaakt heeft. Ik kom er niet uit, ik kom er natuurlijk nooit uit. Er is zoveel over te analyseren en redeneren, dat ik er vast nog een aantal blogs mee vooruit zou kunnen, als iemand er op zat te wachten.

Opvoeding

Bij deze wil ik wel graag even mijn ouders van alle verdenking ontheffen. Ik vind dat de opvoeding (en daarmee ouders) van psychiatrische patiënten er soms schandalig bekaaid vanaf komt (komen). Er heerst bijna nog meer stigma op de ouders, dan op hun kinderen. Als er iets mis is met het kind, wordt als eerste naar de opvoeders gekeken. En de schuld daarvan ligt bij Freud. We hebben het aan Freud te danken, dat er zoveel vooroordelen zijn over ouders van psychiatrische patiënten. Het erge is, dat psychiatrische patiënten in een aantal gevallen echt een slechte jeugd gehad hebben en die deels ook de schuld (kunnen) geven van hun aandoening. Maar mag ik even iets heel hard roepen?

DAT IS NIET ALTIJD ZO!!!

Zo, dat is er uit. Ik heb dus een keurige en fijne opvoeding gehad als oudste van vier met een hele lieve moeder en een beetje strenge, maar rechtvaardige vader, en met veel aandacht voor ons. Het enige minpuntje dat ik na lang nadenken kan bedenken is dat mijn moeder al te zorgvuldig luisterde naar het consultatiebureau. Zij raadden haar aan mij te laten huilen als baby, als ik wat honger betreft niet aan de gewenste regelmaat voldeed. Misschien kan ik hen nog aanklagen voor mijn moeilijke omgang met emotionele afwijzing? Mijn moeder vond de methode overigens verschrikkelijk, maar ja: het consultatiebureau, he?

Met dank aan mijn ouders…

 

Nu dat uit de weg is geruimd, wil ik graag even vertellen wat mijn ouders voor mij betekend hebben in relatie tot de ziekte. Mijn ouders zijn de mensen die mij, naast mijn man, het meest gesteund hebben. Niet alleen in het begin, toen ik opgenomen was, maar ook later, toen anderen nog amper doorhadden dat ik weer ziek was. Ze kwamen op bezoek, ze boden aan dat ik weer bij hen kon wonen met mijn 30 jaar (hier ben ik niet op ingegaan) en later hebben ze een keer een week op mijn kinderen gepast, toen dat nodig was. Ze hebben mijn gekwetste verhalen aangehoord en mijn gekrenkte zelfbeeld geprobeerd op te krikken. Ongerust zijn ze geweest, en ook trots toen het weer de goede kant op ging. Op mijn beurt ben ik trots op hen, op hoe ze in de buurt zijn gebleven en mij nooit in de steek hebben gelaten. Die liefdevolle houding heeft zeker te weten bijgedragen aan mijn herstel.

Advertenties

Promoveren op Lithium

 

Wanneer je een blog schrijft over een ziekte, bestaat natuurlijk de kans dat die blog heel heftig wordt, met allemaal nare dingen die gebeurd zijn en nog kunnen gebeuren. Gelukkig zijn er in mijn leven ook een hoop leuke dingen voorgevallen. Eentje daarvan is mijn promotie, dat was een topdag.

Voorbereiding

Ik sta in een volle kamer in het academiegebouw in Utrecht. Naast mijzelf en mijn twee paranimfen, zeg maar mijn hulpjes voor de dag, is de voltallige commissie hier bij elkaar die mij zo dadelijk gaat ondervragen over mijn proefschrift. Drie mensen zijn bloedje zenuwachtig. De eerste is Ken, een wetenschapper uit Engeland. Hij is totaal niet bekend met de procedure die hem te wachten staat en zweet peentjes. Hoewel hij nog geen professor is, geeft mijn eigen professor hem toch een toga. Dan voelt hij zich tenminste iets meer thuis tussen de andere commissieleden, die allemaal wel hoogleraar zijn. Ook mijn broers, die hun best doen als paranimfen in slipjassen, zijn behoorlijk zenuwachtig. Ze zijn niet bekend met universitaire mores en ook zo’n pak zijn ze niet gewend. Ik probeer ze te kalmeren, een goede manier om tegelijkertijd mijzelf te kalmeren.

Lekenpraatje

Toch is dat laatste niet echt nodig. Ik ben nog ‘high’ van het succes van mijn lekenpraatje, wat ik net daarvoor gehouden heb. In mijn mooie zijden lange rok en hip truitje heb ik,  gepassioneerd maar in heldere woorden, aan familie en vrienden verteld over mijn onderzoek. Ik kreeg alom complimenten. Een vriendin die meestal wat minder belangstelling heeft voor de inhoudelijke kant van mijn werk, jubelde dat ze het ‘helemaal snapte’. Als ook nog blijkt dat een andere vriendin uit een ver buitenland gekomen is voor mijn promotie, kan mijn dag niet meer stuk.

Senaatskamer

Mijn paranimfen en ik staan al in de zaal, als de commissie op een rijtje de zaal inkomt, achter de Pedel aan. De mooie senaatskamer is behangen met schilderijen van hooggeleerde heren uit een ver verleden. De meesten dragen een pruik. Het zijn de extra ogen die op mij neerkijken, naast de ongeveer 80 familieleden, vrienden en collega’s, die het publiek vormen. Ik zucht diep en probeer te bedenken dat ik in deze zaal degene ben die het meest weet over mijn proefschrift. Het gaat over chemische en fysische processen die leiden tot ozonafbraak boven de Noordpool. Ik heb een module gemaakt voor een soort klimaatmodel, om deze processen te beschrijven.

De verdediging

De voorzitter, de decaan van de faculteit natuurkunde, is een aardige man. Ik ken hem voornamelijk als collega, hij is ook professor bij onze vakgroep. Hij geeft als eerste het woord aan Ken. Dat is fijn voor Ken, want zijn zenuwen zijn nog niet bedaard. Voor mij hakken Ken’s vragen er meteen behoorlijk in. Hij is naast mij en mijn begeleider in feite het meest deskundig met betrekking tot het thema. Hierna volgen nog acht professoren met hun vragen. Sommige vragen had ik verwacht en raken erg aan het vakgebied van de vragensteller. Af en toe zit er nog een pittige vraag tussen, zoals van de enige vrouwelijke professor, die in feite het belang van het hele tweede hoofdstuk ter discussie stelt. Ik weet haar voor ongeveer driekwart te overtuigen, geloof ik. Dat is voldoende, niet waar? De laatste persoon die een vraag mag stellen is mijn begeleider. Terwijl hij nog bezig is met de formulering van zijn vraag, komt de Pedel opnieuw binnen en roept “Hora Est”. Het zit er op.

 

Applaus

Natuurlijk is zo’n promotie grotendeels een mooi toneelstuk ter viering van de afronding van het proefschrift, het echte werk. Toch kunnen alle beschikbare glaasjes water mijn droge keel niet wegkrijgen terwijl ik, paranimfen en publiek wachten op de terugkomst van de commissie. Ik ben opgelucht als de Pedel de professoren weer terugbrengt vanuit het kamertje, waar ze hebben overlegd over de uitslag. Weinig verrassend maar toch grote blijdschap: Ik ben gepromoveerd! De voorzitter is de eerste die mij feliciteert, gevolgd door mijn promotor. Het applaus is helemaal voor mij. In het publiek zitten bijna uitsluitend mensen die weten van mijn dieptepunt, een aantal jaar daarvoor. Ik verbeeld het me niet dat het applaus anderhalf keer zo lang duurt als bij andere promoties.

hypomaan, gaan met die banaan

Hypomaan

Op het moment ben ik een beetje hypomaan: aan de optimistische kant, zeg maar. Dat tikt wel lekker weg zo, achter die computer. Vanuit  mijn hart stroomt het zo naar mijn vingers… maar over een paar weken kan ik voor de zekerheid maar beter controleren of ik er nog steeds achtersta, voor ik het publiceer.

Hypomaan is voor buitenstaanders denk ik wel de moeilijkst te begrijpen fase. Ten eerste lijkt het nou niet echt op een heel erg zieke of lastige fase. Ik ben juist vrolijk. Ik klets lekker een eind weg. Werken gaat ook als een tierelier en ik verzin allerhande leuke activiteiten en uitjes voor de kids. Toch zit er ook aan al deze blijheid een grijs randje. Zo vergeet ik nogal eens kleine doch essentiële dingen, bijvoorbeeld het haren kammen van de kinderen. Daar klagen ze verder niet over, nee. En tegen de avond wordt mijn kletsen steeds dwangmatiger. De woorden komen sneller en in plaats van een normaal gesprek te voeren, produceer ik een eenzijdige argumentenstroom. Nu ik het zo opschrijf bedenk ik me dat dat best eens een goed tijdstip zou kunnen zijn om aan deze blog te werken, met name de stukjes waar wat meer “mening” in zit. Het is in ieder geval niet een heel goede tijd om te communiceren met man en kinderen. Ik zweer je dat zij alle drie tijdens mijn hypomane fase ’s avonds eerder moe zijn dan normaal. Mijn man denkt dit ook. Hij heeft geen hekel aan deze fase, het heeft ook wel voordelen, maar hij moet wel wat sterker op zijn grenzen letten. Rond mijn kinderen let ik erg op mezelf en ik vraag hen ook om het te zeggen als ik raar doe. Dit laatste doet met name de oudste vervolgens graag. Klopt mam, je hebt rare kleren aan en je bent ook veels te streng… hm.

Een stap te ver

Het voornaamste risico van hypomaan is voor mij dat het ge-upgrade kan worden naar manisch. Nou klinkt manisch nog steeds niet zo erg voor sommige mensen, maar dat is het wel. De realiteitszin die in de hypomane fase nog ongeveer gelijk was aan die van een normaal mens (ik ben in de stabiele fase wat pessimistischer en dus realistischer dan de gemiddelde mens), is in de manische fase sterk verminderd. Ik krijg bijvoorbeeld last van shopliefde, iets waar ik normaal gesproken geen last van heb. Ik ben wel een vrouw, maar ook wetenschapper, en niet zo heel visueel ingesteld. In de huidige hypomane fase ging ik vorige week naar de lokale kringloopwinkel, waar ik maar liefst 20,- euro heb uitgegeven aan dingen die ik niet nodig had, zoals knuffels voor de kinderen en 2e hands schoenen. In de manische fase zou ik bij wijze van naar de Bijenkorf kunnen gaan en meer uitgeven dan op mijn bankrekening staat.

Gelukkig is dit allemaal al heel lang niet gebeurd, omdat ik mijn manie en zelfs ook mijn hypomanie vakkundig om zeep poog te helpen met haldol. De naam van dit medicijn doet sommigen al rillen van angst, maar bij mij werkt het goed en ik heb weinig last van de bijwerkingen.

Want ik doe er nogal luchtig over, maar er zijn nog veel ergere verhalen over manisch zijn en dingen doen waar je later veel spijt van hebt. Als je je realiseert dat hypomanie daarvan het voorstadium kan zijn, dan word je er wel wat minder blij van. De aard van het beestje, de bipolaire stoornis, is echter dat je de mogelijke gevolgen soms vrij gemakkelijk wegwuift. Ik kan daarbij redelijk tot goed afgaan op mijzelf en mijn eigen ervaring, maar ook op mijn wederhelft. Aan zijn ongerustheid is meestal goed af te lezen hoeveel zorgen ik mijzelf moet maken. Echt, zo’n mannetje gun ik iedereen.  Maar anders kun je natuurlijk ook iemand anders vragen, je hulpmiddelen inschakelen (life chart bijvoorbeeld) of wat vaker de dokter bellen.  Tja, het klinkt soms simpel.

Schaamte of trots?

Er doen nogal wat vooroordelen de ronde over psychiatrische patiënten. Ik doe een greep:

  • Het gaat nooit echt over, een normaal leven zit er dus niet meer in
  • Ze zijn agressief of juist apathisch
  • Met zo’n patiënt valt niet te leven
  • Werken kunnen ze ook niet, of soms kunnen ze het wel, maar dan willen ze het niet
  • Ze hebben het aan zichzelf te danken of ze hebben een verschrikkelijke opvoeding gehad
  • etc. etc.

Er bestaat een prachtige site die heet “Samen Sterk tegen Stigma”, die al dit soort ideeën verzameld heeft en op keurige wijze ontkracht. Je vindt hier ook verhalen van collega-patiënten, die net als ik zich niet helemaal of helemaal niet herkennen in bovenstaande stellingen.

Oorzaak

Nou komen die vooroordelen ergens vandaan. Waar rook is, is vuur, zou mijn, overigens hele lieve, moeder zeggen. Een eerste punt is dat de woorden psychopaat en psychose nogal eens met elkaar in verband gebracht worden. Dat is niet terecht: psychopaten zijn bijvoorbeeld seriemoordenaars zonder geweten, een psychose is een toestand van enorme verwardheid. Kan ook best eng zijn, zo’n psychose, maar in de eerste plaats vooral voor degene die het moet ondergaan.  Ik hoor iemand denken: En Kim van Gelder dan? (die Belgische man die een kind en een kinderdagverblijfleidster had vermoord). Ja, het komt wel voor mensen in een psychose ellendige dingen doen, dat moet zeker gezegd worden, maar relatief gebeurt het heel erg weinig. Psychoten moorden relatief gezien zelfs even vaak als anderen.

Even vaak…waarom wekt dat verbazing?

In de media zie je vooral een bepaalde groep psychiatrische patiënten, namelijk zij die op dat moment problemen veroorzaken voor anderen. De geslaagde schizofrene kapster zal je minder vaak treffen in het nieuws, evenals de gepromoveerde bipolair. Natuurlijk moeten ook de problemen rond agressie en psychische problematiek niet weggepoetst worden, en aangepakt. Van de andere kant heeft een kwart van de bevolking een psychische aandoening, en bijna de helft  krijgt er in zijn of haar leven mee te maken (we zijn al bijna in de meerderheid!). Met zulke cijfers besef je dat er een overgrote meerderheid is van psychiatrische patiënten zonder criminele achtergrond. Deze mensen leven gewoon hun leventje, met of zonder werk, met of zonder partner, en met of zonder kinderen. Maar wel met een pijnlijke en levensbedreigende ziekte, en met het gevecht wat ze voeren met deze ziekte. Gezien het stigma kijken ze echter meestal wel uit om hiervoor uit te komen en er sympathie voor te vragen. En zo is de cirkel rond en blijven vooroordelen bestaan.

Een beetje meer respect?

Wat zou ik dan wensen voor psychiatrische patiënten, en dus voor mezelf?

Het komt er op neer dat ik graag een beetje respect wil vragen voor ons, psychisch zieken. Een tijd geleden werd ik getroffen door een ernstige psychose. Deze levensbepalende gebeurtenis ben ik aardig te boven gekomen en ik ben doorgegaan met het verwezenlijken van mijn doel: het schrijven van een proefschrift in de natuurkunde. Dit heb ik voortgezet, ondanks de levenslange diagnose, bijbehorend medicijngebruik, en de schaamte die ik voelde voor wat er gebeurd was. Tegen het alom heersende stigma in, heb ik vervolgens mijn proefschrift afgemaakt. Ik mocht het 4 jaar na de psychose succesvol verdedigen ten overstaan van een commissie van geleerden uit de top van mijn vakgebied. Het extra langdurende applaus van collega’s, familie en vrienden was overweldigend en in een licht hypomane toestand nam ik het blij en trots in ontvangst.

Ook zonder zo’n promotie leveren patiënten en hun naasten een niet te filmen strijd, puur om hun leven te kunnen leven. Respect is wat ze verdienen, in mijn ogen. In plaats van beschaamd zouden ze trots moeten zijn op zichzelf en op hun naasten. Ze verdienen aandacht, een plek in deze wereld, en een sponsorloop (dus meer bekendheid voor http://www.socialrun.eu ). Wist je dat 15% van de mensen met een bipolaire stoornis sterft aan deze ziekte, die 1% van alle mensen treft? Dat zijn 150.000 mensen in Nederland met deze ziekte en  22.500 mensen die er aan sterven. Dat getal is te hoog en dat moet omlaag kunnen. Vermindering van stigma is een beginnetje, al is het alleen maar omdat mensen dan eerder de juiste hulp durven te zoeken.

 

Hoe ziet stigma eruit?

Ik zou willen beginnen met een klein quiz-je om te zien hoe het staat met eventuele vooringenomen beelden die jij in je hoofd hebt zitten.

Wie van de 2 is moeder?

      Hier moeten nog foto’s bij…

(Goede antwoord: links)

Wie van de 2 is de dr. ir. (doctor ingenieur) in de natuurkunde?

Hier moete nog fotootjes bij

(Goede antwoord: Instinker! Geen van beiden, ir. is namelijk een Nederlandse titel en dit zijn een Duits-Zwitsers-Amerikaanse en een Britse natuurkundige)

En wie van de 2 is de psychiatrisch patient?

‘hier moeten nog fotootjes bij      

(Goede antwoord: het enige juiste antwoord is dat ik het niet 100% zeker kan weten)

Bovenstaande vragen laten zien dat je bij bepaalde begrippen (psychiatrisch patient, moeder, dr.ir.) vaak ook een bepaald beeld in je hoofd hebt. Of je hebt bij een bepaald beeld wel een oordeel in je hoofd (bv. “die is het in ieder geval niet”)

Binnen de psychiatrie spreekt men over “stigma” als het gaat om de vooringenomen beelden die er bestaan rond psychische ziekten en psychiatrische patiënten. Maar stigma, of vooroordelen, of vooringenomen beelden, vind je natuurlijk overal. In positieve zin is het gewoon een beetje gemakzuchtige manier van je wereld indelen in hokjes. Dat is overzichtelijk en gestructureerd. Ook als je jezelf met een groep wilt identificeren, is het handig als je weet hoe je je moet kleden en gedragen. Dit kent iedereen uit de puberteit, maar ook in de bankwereld en andere professionele werelden is een eenduidige kledingstijl gebruikelijk. In negatieve zin leidt stigma en eenzijdige beeldvorming echter tot vooroordelen en uitsluiting uit het maatschappelijk leven.

Als je de voorbeeldjes uit de quiz combineert, heb je mij! Ik ben namelijk moeder, dr. ir. en psychiatrisch patient. Heb je er al een beeld van gevormd hoe ik er uit zie? Als je iets in je hoofd hebt, lijkt het vast niet op 1 van bovenstaande of zelfs op een mix ervan, want je heb inmiddels al minstens een half verhaaltje van me gelezen, en ook dat heeft je beeld beïnvloed. Gelukkig, zou ik zeggen. Al blijft het beeld, als je het al hebt, waarschijnlijk incorrect, want in hokjes plaatsen is soms misschien wel handig, maar weinig realistisch op individueel niveau. Klein tipje van de sluier: Ik lijk het meest op een combinatie van minister Schippers en ma Flodder (al rook ik niet meer en zij alletwee wel).

Ik denk dat de combinatie moeder, patiënt en gepromoveerd in de natuurkunde best bijzonder is in Nederland. Misschien ben ik zelfs wel in mijn eentje, maar ik hoop het eigenlijk niet. Kom je uit mijn verzameling { dr.ir., bipolair, moeder } …  Meld je hieronder aub!

Overigens mogen alle mensen die in 0, 1, 2, of 3 van bovenstaande labels passen ook reageren.

Of die in het label ‘Brabo’ passen

Of in het label ‘Import in de stad waar je woont’

Of in het label ‘Waterpolovrouw’

Graag zelfs. Be welcome. Ik houd niet van exclusiviteit, hier mag iedereen meedoen.